|
Dan liever de lucht in...
|
De winter van 1831 was streng, ook in België. Meermalen al had het Nederlandse marinedetachement
bij Antwerpen zich die winter stroomafwaarts moeten terugtrekken achter de sluizen van de citadel,
om te voorkomen dat de schepen ten prooi zouden vallen aan de ijsgang op de rivier. Bovendien konden de
schepen ieder moment worden aangevallen door de Belgen zelf, sedert de zomer van 1830 in opstand tegen het
wettige bewind van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. De opstandelingen trokken zich klaarblijkelijk
niet al te veel aan van de voorlopige wapenstilstand die na het bombardement van Antwerpen van 27 oktober
1830 was getekend.
In het begin van de maand oktober had Antwerpen zich bij de opstand tegen het bewind van koning Willem I
aangesloten, en sinds dat moment was de stad afgesneden geraakt van haar natuurlijke uitweg naar de Noordzee.
Alle schepen die de Schelde bevoeren, werden door Hollandse marineschepen gecontroleerd en zonodig in beslag
genomen. De koninklijke troepen hadden zich onmiddellijk verschanst in de citadel van Antwerpen, van waaruit
zij de stad in de gaten hielden en regelmatig beschoten. Deze belangrijke vesting, en daarmee de heerschappij
over de Westerschelde, mocht voor het
|

Portret van Van Speijk, naar het leven geschilderd door L. Moritz, 1830-1831.
|
Koninkrijk niet verloren gaan. Maar net als de Belgische
opstandelingen zaten ook de Nederlandse troepen nu min of meer gevangen in hun verschansing. Belgische
vrijkorpsen en burgerwachten hielden hen continu in de gaten. Alleen via de Schelde konden er verbindingen
worden onderhouden met het Noord-Nederlandse achterland. Aan deze patstelling leek voorlopig geen einde te
komen
Op 5 februari, toen het ijs in de Schelde voor Antwerpen eindelijk was verdwenen kreeg de 29-jarige
Luitenant ter Zee 2de klasse Jan Carel Josephus van Speijk voor de zoveelste keer die winter het bevel zich
met zijn kanonneerboot no. 2 te geven naar zijn vaste post voor Austruweel, even ten noorden van Antwerpen.
Van Speijk zal opgelucht zijn geweest dat nu eindelijk aan het lange wachten een einde was gekomen. Het was
hoog tijd dat er einde werd gemaakt aan de aanvallen van de opstandige Belgen. De jonge luitenant was
ongeduldig, eerzuchtig en vastbesloten zijn vaderland zo goed mogelijk te dienen. Dat was ook gebleken bij
het bombardement van Antwerpen van 27 oktober: zijn kanonnen hadden als eerste het vijandelijk vuur
beantwoord.
Van Speijk
Luitenant Jan Carel van Speijk moest optreden waar andere hadden gefaald. Zijn opdracht was simpel: het
controleren van scheepsladingen. Alle schippers die de stad vanuit het noorden wilden aandoen, dienden aan
boord van een Nederlandse kanonneerboot hun papieren te laten zien. Ladingen die voor oorlogsdoeleinden
konden worden gebruikt, werden zonder pardon in beslag genomen. Mocht een schipper het wagen de controle te
ontduiken, dan moest er gericht en met scherp worden geschoten. Kort daarvoor, op 11 januari om precies te
zijn, had een klein binnenvaartuig de Hollandse controle weten te ontduiken. Onder triomfantelijk gejuich
was de lading door de schipper en zijn mannen aan de kade gebracht. De commandant van kanonneerboot no. 9,
op dat moment verantwoordelijk voor de controle, was driftig geworden en had genoegdoening geëist, maar
hij had slecht hoongelach en beschimpingen ontvangen. Hij werd onmiddellijk door kapitein-luitenant J.C.
Koopman uit zijn functie gezet, en vervangen door Van Speijk.
Het was niet de eerste keer geweest dat het Hollandse detachement ter plaatse vernederingen had moeten
ondergaan. Eerder had een korvet van de marine zich ternauwernood kunnen redden toen het door Antwerpenaren
dreigde te worden geënterd. Van Speijk was vastbesloten zich een dergelijke belediging niet te laten
welgevallen. Sterker nog, op 19 december 1830 had hij aan een nicht in Amsterdam geschreven 'dat eerder nog
boot en kruid en mij de lugt in gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig overtegeven'.
Liever spiegelde hij zich, zo schreef hij verder in de brief aan de held Reinier Claassen, die in 1606 zijn
schip de lucht in had gejaagd om te voorkomen dat het in Spaanse handen zou vallen, dan aan verraders zoals
generaal Daine, de provinciaal commandant in Limburg die in oktober 1830 naar de Belgische kant was
overgelopen en vervolgens op 11 november de vesting Venlo voor de opstandelingen had ingenomen.
Ook zijn eigen matrozen had Van Speijk in de oudejaarsnacht van 1830 voorgehouden dat hij de brand in
het kruit zou steken indien zijn schip aan lager wal zou raken en door Belgische muiters zou worden bedreigd.
Luid gejuich was toen zijn deel geweest. Het is natuurlijk de vraag of de matrozen wel begrepen hoezeer het
Van Speijk ernst was, maar zijn woorden waren in ieder geval goed voor het moreel. Achteraf lijkt het alsof
Van Speijk toen al duidelijk heeft willen maken dat hij een eerder door de commandanten van de
kanonneerboten gemaakte afspraak serieus zou nemen. Zij hadden elkaar gezworen
de voorkeur te geven aan een wissen dood boven een smadelijke behandeling, en nooit te dulden
dat de geringste inbreuk gemaakt werd op Neêrlands roem of de eer der vlag
Van Speijk was een teruggetrokken dromer en een romanticus. Als jongen al zou hij bij het graf van Michiel
Adriaansz. de Ruyter hebben hebben staan mijmeren over een carriè op zee en over het verrichten van
heldendaden voor het vaderland. In het burgerweeshuis te Amsterdam, waar hij sedert zijn elfde jaar verbleef
- zijn moeder was in 1812, zijn vader al in 1806 overleden -, had men grote moeite hem in het gareel te
houden, zozeer werd hij aangetrokken door de wereld van buiten, de wereld van het IJ. Geen wonder dat hij
mislukte als kleermakersleerling. Net als Michiel de Ruyter tuurde hij als kind liever over de zee naar
lokkende verten dan zich te onderwerpen aan de werktijden van het weeshuis en de opdrachten die zijn bazen
hem verstrekten. Toch mislukte hij aanvankelijk ook op zee. Toen hij zich in 1817 samen met zes andere wezen
meldde voor dienst bij de marine, werd hij als enige afgekeurd: Van Speijk was te klein. Het is te danken aan
de inspanningen van zijn oudere broer, die eveneens bij de marine diende, dat Jan Carel uiteindelijk in 1820
als stuurmansleerling kon beginnen op de Wassenaar, een oorlogsschip met 74 kanonnen dat naar Algiers
werd gestuurd om daar de Willem de Eerste af te lossen op zijn post in de Middellandse Zee. Het leven
aan boord voldeed echter niet aan de hooggespannen verwachtingen van Van Speijk. Volgens zijn belangrijkste
biograaf, Jacobus Koning, had de stuurmansleerling het vooral moeilijk vanwege zijn geringe gestalte. Aan
boord dacht men dat hij een jaar of veertien was. 'Weinig spraakzaam, dikwerf afgetrokken en in niets
uitblinkend', voltooide hij zijn treurige reis, aldus Koning. In 1821 keerde hij noodgedwongen weer terug
bij kleermaker Gleim in Amsterdam
Dat Van Speijk uiteindelijk toch koos voor een zeemansbestaan, kwam opnieuw door zijn broer. Op diens
aandringen meldde Jan Carel zich weer bij de marine en na een jaar als vierde stuurman op de Zeeland
gediend te hebben mocht hij zich na vele verzoeken op 1 januari 1823 adelborst van de tweede klasse noemen
en kon hij aan boord van het fregatschip De Dageraad de officierscarriè beginnen waar hij
altijd van had gedroomd. Dit keer bracht zijn reis hem naar Oost-Indi ë, waar hij in een strafexpeditie
tegen de afvallige staatjes van Boni en Soepa naam maakte als .schrik der zeerovers.. Van Speijk kreeg het
bevel over een barkas (de grootste sloep op een schip), redde in benarde situaties een paar leven van
schepelingen en klom zo op tot buitengewoon Luitenant ter Zee 2de klasse. Nadat de expeditie eenmaal in het
voordeel van de Nederlanders was beslecht, hield hij zich als commandant van een kanonneerboot met succes
bezig met de beveiliging van de wateren rond de tin-eilanden Billiton en Banka. Dit duurde tot het najaar
van 1828. Toen alle detacheringen bij de koloniale marine vervolgens werden ingetrokken, kon Van Speijk op 2
april 1829 naar huis. Ongeveer acht maanden zat hij vervolgens werkeloos thuis voordat hij in Hellevoetsluis
werd geplaatst op een zogenaamd wachtschip. Daar verdreef hij de tijd voornamelijk met het schrijven van
brieven vol zelfbeklag over zijn ellendige situatie en zijn grote verlangen naar een nieuwe reis. Van een
grote zeereis zou het echt niet meer komen. Op 5 september 1830 werd Van Speijk naar Antwerpen gedirigeerd
om deel te nemen aan de acties tegen de in opstand gekomen Belgen.
Een Heldendood
Toen Van Speijk op 5 februari 1831 met zijn kanonneerboot no. 2 en met 31 bemanningsleden koers zette naar
zijn post bij Austruweel, zal hij niet hebben vermoed hoezeer zijn trouw aan vorst en vaderland die dag op de
proef zou worden gesteld. Het weer was slecht die dag. Een felle noordwestenwind maakte het manoeuvreren met
de kleine kanonneerboot buitengewoon lastig en Van Speijk slaagde er dan ook niet in Austruweel te bereiken.
Ter hoogte van het fort Sint Laurentius werd zijn schip door een rukwind tegen de kade geworpen. Het raakte
stuurloos en kon zich, ondanks verwoede pogingen daartoe van de bemanning, niet meer op eigen kracht van de
walkant losmaken. De weersomstandigheden maakten het voor de andere schepen onmogelijk om Van Speijk te hulp
te komen
Zo raakte de vastgelopen kanonneerboot al snel in een benarde positie. Antwerpse arbeiders die in de buurt
van de kade aan batterijen afweergeschut werkten, wisten zich waarschijnlijk nog te herinneren dat juist deze
kanonneerboot no. 2 in oktober zo.n centrale rol had gespeeld bij het bombardement. Zij stroomden massaal toe,
gevolgd door gewapende burgers en militairen van het vrijkorps 'de Gorter' onder aanvoering van kapitein
Grégoire. Grégoire en zijn mannen sprongen aan boord van de kanonneerboot om te verhinderen dat
Van Speijk een reddingssloep zou uitzetten en een anker zou uitwerpen. Toen vervolgens vanaf de wal werd
geschreeuwd dat de Hollandse vlag moest worden gestreken, verdween Van Speijk in zijn kajuit met de woorden
'wacht., dan zal ik mijne papieren gaan halen'.
In zijn hand had hij een brandende sigaar die hij zich door
de scheepsjongen, Hendrik Wijler, had laten brengen toen hij bezig was geweest met pogingen om de boot vlot
te krijgen. Beneden trof hij de scheepsjongen aan, die hij waarschuwde dat hij zich uit de voeten moest maken
('berg je billen, jong!') en naar boven stuurde. De jongen, die kennelijk begreep wat er te gebeuren stond,
stormde het dek op, waarschuwde op zijn beurt de bootsman en de loods en sprong overboord. Enkele seconden
later vloog de boot met een daverende klap uiteen: 2de luitenant Van Speijk had zijn sigaar in het kruit
gegooid om te voorkomen dat de Nederlandse vlag in Belgische handen zou vallen.
Het effect was verbijsterend. De kanonneerboot werd door de kracht van de explosie volledig uit elkaar gerukt.
Aan Nederlandse zijde vielen 26 doden. Slechts de scheepsjongen Wijler, de bootsman en de loods hadden zich
op tijd uit de voeten kunnen maken. Twee andere bemanningsleden brachten het er levend af omdat zij kennelijk
ver genoeg van de explosie af stonden en onmiddelijk in het water werden geslingerd. Een onbekend aantal Belgen,
op het
|

Jan van Speijk steekt de lont in het kruit, 5 februari 1831. Schilderij van Schoemaker Doyer, ongedateerd
|
schip en op de kade, kwam om het leven. Van Speijks biograaf, Jacobus Koning acht het
raadselachtig dat niet méér bemanningsleden geprobeerd hebben het vege lijf te redden. Per slot
van rekening was Hendrik Wijler al goed en wel op het droge toen de boot uiteenspatte. De conclusie van
Koning dat dit feit voornamelijk te verklaren valt uit de plechtige afspraak die men eerder onderling had
gemaakt, past uiteraard in het beeld van trouw aan vorst en vaderland, maar is niet erg overtuigend. Met
evenveel recht zou men kunnen verdedigen dat de bemanningsleden zich geen moment hebben gerealiseerd dat Van
Speijk zo letterlijk zou nemen wat hij in de oudejaarsnacht had gezegd.
De overlevenden werden liefdevol opgevangen en verzorgd in een Antwerps hospitaal, en verklaarden plechtig
dat de opstandelingen slechts aan boord van de kanonneerboot waren gekomen om de schepelingen-in-nood te
helpen. Deze verklaring hebben zij na hun uitlevering op 8 februari onmiddellijk herroepen. Toen bleek dat
zij door de vrijkorpskapitein gedwongen waren geweest, de in het Frans opgestelde verklaringen te
ondertekenen.
Van Speijks zelfgekozen dood wekte overal verbazing. De Belgische kranten waren verontwaardigd over zijn
buitenproportionele daad en suggereerden dat Van Speijk zijn eigen leen en dat van de andere slachtoffers
had geofferd ter meerdere eer en glorie van zichzelf. Andere bladen schreven dat de schepelingen Van Speijk
op het laatste moment hadden gesmeekt zijn voornemen niet ten uitvoer te brengen. Weer andere betoogden zelfs
dat alleen Van Speijk was omgekomen en de gehele bemanning zich zwemmend had gered. Het was duidelijk dat de
Belgen in hun maag zaten met dit incident en met een dergelijke bereidheid tot zelfopoffering
In Noord-Nederland leidde Van Speijks dood tot groot enthousiasme. Een nooit meer geëvenaarde golf van
nationalistische euforie overspoelde het land en schonk de Nederlandse bevolking weer enig vertrouwen in de
toekomst. Het leger kondigde drie dagen van rouw af en vaardigde dagorders uit waaruit Van Speijks
'heldenmoed en onbevlekte trouw' in uiteenlopende termen werd geprezen, ook al liet een enkele soldaat zich
in zijn dagboek ontvallen zich met Van Speijks daad in het geheel niet te kunnen verenigen en een oordeel
erover maar aan 'wijze mannen' over te laten. De koninklijke marine was vanzelfsprekend in rouw gedompeld.
De marinecommandant liet in een verklaring weten dat Van Speijk in zijn daad slechts door plichtsbesef en
eergevoel gedreven werd, 'in de hoogste noodzakelijkheid, als het eenige redmiddel, om de aan hem
vertrouwde kanonneerboot met eere uit 's vijands handen te houden'.
De haat tegen de 'infame Brabanders', zoals de opstandelingen in het Noorden veelal werden genoemd, werd
door Van Speijks dood tot grote hoogten opgestuwd. De bereidheid om het land te dienen en het 'muitend
gespuis' in het Zuiden een lesje te leren, nam sterk toe. Van Speijks heldendood toonde volgens velen de
herwonnen levenskracht van de Nederlandse natie en maakte een einde aan een periode waarin, zoal de
romantische dichter Adriaan van der Hoop het in 1832 uitdrukte, 'eene soort van wereldburgerschap ons meer
bezielde dan de heilige zucht voor den grond onzer geboorte'. De opstand der Belgen werd in het Noorden
beschouwd als een regelrechte bedreiging van die Oud-Nederlandse geboortegrond. Indirect waren de Belgen
ervoor verantwoordelijk dat Nederland werd bevrijd van een diep gevoelde identiteitscrisis. 'Dan gevoelt men
weder war de uitdrukking 'ik heb een Vaderland!' in zich bevat', schreef Van der Hoop. Van Speijk was niet
voor niets gesneuveld.
Sindsdien is er een Koninklijk Besluit van kracht geworden (11-februari-1831, No. 81) waarin bepaald is
dat altijd één van de schepen of vaartuigen van de zeemacht de naam "Van Speijk" zal voeren.

De ontploffing van kanonneerboot no. 2 van Van Speijk, 5 februari 1831. Schilderij van Martinus Schouman, 1832.
De heldendaad van Van Speijk werd in de eerste jaren veelvuldig afgebeeld en bezongen. Deze Van Speijk-manie
duurde helaas slechts enkele jaren.
|